Liefde

Wat moet je doen als je partner een etentje heeft en om twaalf uur nog niet thuis is? Bellen? Op zoek gaan? UKrant-columnist Gerrit Breeuwsma weet het niet zo goed en dat had gevolgen.
Door Gerrit Breeuwsma

‘Als liefde zoveel jaar kan duren, moet het echt wel liefde zijn’, zong Herman van Veen ooit en ik ben het daar wel mee eens. Bij de meeste mensen moet je er niet aan denken er maar een dag mee te moeten leven, en dan is het jaren delen van bed, bad en brood best bijzonder. Het wonder van de liefde, denk ik dan maar.

‘Maar rustig leven en tevreden, is voor de liefde een gevaar’, gaat het even verderop en ik vermoed dat die zin bij mijn vrouw is blijven hangen, want soms lijkt ze onze huiselijke pais en vree ruw te willen verstoren, met in mijn ogen toch vooral zelf bedachte problemen.

Zo is ze eens een dag boos op me geweest, omdat zij had gedroomd dat ik vreemd was gegaan met een vriendin. Ik wilde daar zelfs in mijn stoutste dromen niet aan denken, maar moest alle zeilen bijzetten om haar van mijn trouw te overtuigen.

‘Wass will das Weib’, verzuchtte Freud eens. Ik denk niet dat hij daarbij mijn vrouw voor ogen had, maar ik vraag het me ook wel eens af. De afgelopen week nog trouwens.

Het was tien voor negen toen ze thuis kwam van een etentje. Ik zei dat ze vroeg was en misschien dat het daar al mis ging (‘ben je daar eindelijk’, had ik moeten zeggen), want ze vroeg meteen hoe laat ik dan gedacht had dat ze thuis kwam. Op een doordeweekse avond niet later dan tien uur, schatte ik. Ik zou elf uur aan de late kant hebben gevonden.

‘Maar wat zou je hebben gedaan, als ik om elf uur nog niet thuis was’, vroeg ze.

‘Ik zou misschien bellen waar je uithangt’, probeerde ik voorzichtig.

‘Stel ik neem niet op’.

‘Nou, dat zou ik vervelend vinden. Maar je hebt vast je mobiel niet aan staan’.

‘Als ik dan om half twaalf nog niet thuis ben, en om twaalf uur’, ging ze door. Omdat ik geen bevredigend antwoord gaf, concludeerde ze: ‘Je doet gewoon niks, hè?’.

Ik zei dat ze wel vaker laat thuis was gekomen. ‘Het is gewoon een doordeweekse avond hoor’, wierp ze me mijn eigen woorden voor de voeten.

‘Ik dacht het al, je zou gewoon naar bed gaan’, zei ze nu op een manier die ronduit beschuldigend klonk. ‘En als je dan om drie uur wakker zou worden en ik ben er nog steeds niet, wat zou je dan doen?’

Ik weet niet hoe het kwam, maar bij zoveel hypotheses zonk mij de moed in de schoenen; ik had geen idee wat ik zou doen.

Ze begon te beschrijven wat er allemaal wel niet op de laatste donkere kilometers naar ons huis had kunnen gebeuren. ‘Dat zag je wel bij Marianne Vaatstra’, zei ze (ze had net Peter Middendorps roman over de zaak gelezen). ‘Kom op. Dat meisje was zestien’, probeerde ik ontactisch relativerend.

Ondertussen was onze jongste thuisgekomen. Hij kreeg onmiddellijk de vraag voorgelegd wat hij zou doen als zijn moeder ’s nachts om twaalf uur nog niet thuis was. Zonder aarzeling begon hij over het bellen van het restaurant, de vriendin en de politie (‘die doen de eerste 24 uur toch niets’, merkte ik op. Stom!) en hij zou de route langsgaan die ze waarschijnlijk had gevolgd vanuit de stad.

‘Kijk’, zei mijn vrouw, ‘Dat wilde ik horen. Laten we afspreken dat jij, als ik om twaalf uur nog niet thuis ben, de jongens wakker maakt. Als we dat afspreken, ben ik er veel geruster op’.

Maar pas op, want: rustig leven en tevreden, is voor de liefde een gevaar.

11 December 2018 | 11-12-2018, 11:56