De RUG ontsloeg enkele weken geleden hoogleraar Joost Herman, ook directeur van het Groningse NOHA-programma (Network on Humanitarian Action) een internationaal samenwerkingsverband van universiteiten dat zich inzet om de humanitaire hulpverlening te professionaliseren. Enkele andere RUG-medewerkers kregen een ernstige waarschuwing.

De RUG baseerde zich daarbij op een rapport van het onderzoeksbureau EY Forensics. De kwestie leidde tot veel commotie en onbeantwoorde vragen. UKrant heeft een geanonimiseerde versie van het rapport in bezit en beantwoordt aan de hand van het rapport een aantal van die vragen.

Hoe het begon

In maart 2019 begon de RUG, na signalen van een Europese partner, een onderzoek naar mogelijke fraude binnen de letterenfaculteit. Al snel werd bekend dat het onderzoek zich richtte op het NOHA-programma.

De RUG doet mee aan NOHA door onder meer het aanbieden van de tweejarige master International Humanitarian Action. Dit is een master die door acht Europese universiteiten wordt aangeboden.

De inhoud is op elke universiteit hetzelfde, zodat studenten in hun studiejaren in verschillende landen kunnen studeren. Het programma wordt deels betaald van collegegelden van studenten en deels van Europese subsidies. 

Ontslag

In januari ontsloeg de RUG hoogleraar Joost Herman, sinds 2004 ook financieel directeur en later voorzitter van de overkoepelende stichting NOHA Brussel. Herman had zonder medeweten van de letterenfaculteit een particuliere stichting opgezet – Stichting NOHA Groningen (SNG) – en geld van NOHA Brussel dat bestemd was voor het Groningse programma via SNG laten lopen, stelde de RUG.

De universiteit deed aangifte van (subsidie)fraude en valsheid in geschrifte en spande een civiele procedure tegen Herman aan om 1,2 miljoen euro terug te vorderen. 

De RUG deed aangifte van fraude en valsheid in geschrifte. De universiteit zegt op basis van het rapport onder meer dat briefpapier en stempels van de RUG zijn gebruikt. Stellen de onderzoekers van EY Forensics in hun rapport dat er sprake is van fraude en/of valsheid in geschrifte?

Nee, de onderzoekers doen zelf geen uitspraken over (mogelijke) fraude. Zij zijn door het RUG-bestuur gevraagd om ´de feiten en omstandigheden (…) in de financiële administratie van Stichting NOHA Groningen en de eventuele betrokkenheid van bestuursleden van SNG, (voormalige) medewerkers van de RUG en/of derden in kaart te brengen.´ In die hoedanigheid geeft het rapport dan ook vooral een stand van zaken weer.

Zo doen de onderzoekers ook geen uitspraak over valsheid in geschrifte. Wat wel in het rapport is opgenomen, is een e-mail die Herman op 14 maart 2019 aan twee mensen verstuurde waarin hij zelf stelt valsheid in geschrifte te hebben gepleegd door het gebruik van een RUG-stempel in een overeenkomst met de Russische Presidentiële Academie voor Economie en Overheidsadministratie (RANEPA). 

Het rapport zegt hierover: ‘In de overeenkomst tussen de RUG en RANEPA heeft de heer Herman een stempel gebruikt van de RUG terwijl het bankrekeningnummer van SNG is vermeld. De heer Herman heeft medegedeeld dat dit niet toegestaan was, maar dat de contractpartner van RANEPA geen overeenkomst wilde zonder stempel van een gerenommeerde universiteit. De heer Herman heeft medegedeeld dat hij zich er terdege van bewust is dat door deze handelswijze de schijn van valsheid in geschrifte zou kunnen worden gewekt.’

Ook toont het rapport dat meer dan eens briefpapier van de RUG is gebruikt, terwijl het rekeningnummer onderaan de brief die van SNG was.

De RUG motiveerde het ontslag van Herman door te zeggen dat er met de oprichting van de stichting een ‘vehikel’ gecreëerd was waarmee buiten controle van de RUG om over publiek geld kon worden beschikt. Concluderen de onderzoekers dat Herman de stichting met opzet buiten het zicht van de RUG oprichtte?

De onderzoekers van EY trekken hierover geen duidelijke conclusies. Wel blijkt uit de mailwisseling tussen Herman en een collega dat hij in 2012 het voorbeeld van een stichting uit de faculteit rechten voorgeschoteld kreeg.

Uit dit voorbeeld bleek dat het binnen faculteiten gebruikelijk was om bij de oprichting van een stichting een zogenaamd Intern Bedrijfsvoering Verklaring (IBV) bij de faculteit in te leveren. Voor de SNG is nooit een IBV ingediend.

Overigens meldt het rapport in een voetnoot ook dat de onderzoekers nooit een document tot hun beschikking hebben gehad waaruit ‘de verplichting blijkt voor stichtingen binnen de RUG om een IBV-verklaring ingevuld en ondertekend bij het faculteitsbestuur aan te leveren’.

De RUG stelt dat ze niet op de hoogte was van de oprichting van SNG. Waren andere mensen dan de leden van het stichtingsbestuur binnen de RUG op de hoogte van het bestaan van SNG?

Uit het rapport blijkt van wel. De onderzoekers schrijven dat behalve het stichtingsbestuur ook (voormalige) medewerkers van de RUG op verschillende manieren betrokken waren bij SNG. Zij hebben onder meer via SNG vergoedingen ontvangen voor ‘verrichte werkzaamheden’ – zoals het geven van gastcolleges – en onkosten bij de stichting gedeclareerd.

Vervolgens stelt het rapport ook dat mensen die niet betrokken waren bij het NOHA-programma wel van SNG wisten of ervan hadden kunnen weten. ‘Daarnaast hebben andere (voormalige) medewerkers van de RUG kennis gehad van (het bestaan van) SNG in relatie tot het NOHA programma dan wel hadden deze kennis, op basis van de betalingen van renumeraties (terugbetalingen -red.), kunnen hebben.’

Zo was SNG onder meer sinds 2015 opgenomen in de crediteurenadministratie van de RUG en diende SNG op die manier declaraties in die ook uitbetaald werden. Ook betaalde SNG het collegegeld van NOHA-studenten aan de RUG en werden te veel betaalde collegegelden door de centrale afdeling Studenten Informatie en Administratie teruggestort naar de rekening van SNG.

De RUG heeft bij zowel SNG als Herman persoonlijk een schadeclaim van 1.157.349 euro ingediend. Hoewel de RUG in haar motivatie niet zegt waar het geld voor is gebruikt, werd zelfverrijking wel gesuggereerd in de media. Wat is er volgens het rapport met het geld gebeurd?

Allereerst moet worden gezegd dat collegevoorzitter Jouke de Vries drie dagen na de bekendmaking van Hermans ontslag in een interview met NRC Handelsblad zei dat er geen sprake van zelfverrijking lijkt te zijn. ‘Maar er zijn declaraties gedaan die niet door de beugel kunnen en dat weten ze.’

In het bericht dat de RUG daarvoor naar buiten had gebracht, werd gesteld dat door het oprichten van SNG een medewerker – naar later dus bleek Herman – ‘forse bedragen aan onkosten kon declareren’ en zonder enig toezicht ‘extra betalingen’ aan zichzelf, andere medewerkers en externen kon doen.

Volgens het rapport blijkt inderdaad dat Herman degene was die de meeste declaraties goedkeurde. Ook is in het rapport te lezen dat deze betalingen allemaal gerelateerd waren aan werkzaamheden voor de RUG.

Wat uit het rapport naar voren komt, is dat Herman tussen 7 januari 2016 en 19 oktober 2018 vier declaraties bij de RUG en bij SNG declareerde. In totaal kreeg hij daardoor 842 euro te veel uitbetaald. Herman zegt in het rapport van EY dat dat ‘slordig’ was en dat hij zich daar indertijd niet bewust van was.

Ook heeft Herman vanaf 2015 regelmatig zijn upgrades voor vliegtickets naar businessclass bij SNG gedeclareerd. Het gaat volgens het rapport om een bedrag van 7713 euro dat hij tussen 5 maart 2015 en 22 juni 2017 declareerde. Ook is in het rapport te lezen dat de upgrades naar businessclass volgens RUG-regels niet waren toegestaan.

Zelf verklaart Herman hierover in het rapport: ‘Een onverantwoordelijke stommiteit, echter door overwerktheid, tijdsgebrek, frequentie van vooral intercontinentaal reizen, het als laatste kunnen instappen en als eerste kunnen uitstappen met alle bagage in de cabine die ik nodig had, het kunnen werken aan boord en ook kunnen slapen om bij aankomst meteen weer door te gaan, praatte ik dit goed.’